home contact producten publicatielijst testimonials Vondelpark columns media

Verkeert

Koffie verkeert. Kan koffie verkeren? Alles kan verkeren, en vooral het, maar niet alles kan besteld of gedronken worden. Koffie verkeert is goed fout.
Een oxymoron, goed fout. Een oxymoron is een stijlfiguur. Een combinatie van twee woorden die elkaar in hun letterlijke betekenis tegenspreken en in weerwil van hun concept en semantiek samengevoegd worden tot één begrip.
Begrip, het begrijpen van woorden, daar gaat het mij om. In vele gevallen schijnt het niet uit te maken of je een t of een d schrijfd en leesd. De tekst begrijp je dan toch wel ook al staat deze vol foute vervoegingen. Dat is wetenschappelijk aangetoond. Ons brein corrigeert automatisch, vult aan, vervangt en begrijpt. Bewezen is ook dat veel leraren in spe niet kunnen spellen. En wie moet ons dan leren correct Nederlands te schrijven? Taal leeft en evolueert, zult u zeggen, maar waar gaat dat naartoe en hene?
Aanleiding voor deze geachtenlawine over semantiek was een zin op internet: “Als je niet lacht en altijd in een serieuze modes verkeerd dan sta je in de beschermingsstand”. Lachen kan ik zeker om zo´n verkeerde modus. Maar beroepshalve wort ik er ook wel een beetje moedeloos van. Niet getreurd dacht ik, ik schrijf de dienstdoende hoofdredacteur even zo´n snel mailtje zodat hij/zij net zo snel de d door een t kan vervangen.
“Verkeerd is verkeert, en verkeert is goed”, schreef ik. Ofwel: verkeerd is goed fout. De hoofdredacteur heefd nog niet gereageert. Met Bredero denkt zij/hij blijkbaar: “Het kan verkeren”.

2011-02-04 Annemarieke Weber

Personeel Actueel, 11 columns

Besta ik?

Een baan buiten, dat leek me wel wat. En ik kreeg 'm in mijn schoot geworpen met een verplichte oproep voor een werkgelegenheidsproject. Achter me in de rij stond een vrouw van 58. Nog positieve leeftijdsdiscriminatie ook, mooi zo! Toen we haast aan de beurt waren, drong ze voor, ze kon haar verontwaardiging niet meer houden. Zijzelf was niet verplicht opgeroepen, maar haar moeder van 83. Foutje in de mailing. Ook ik was voor niets gekomen, want ik was pas 2 maanden werkzoekend en academici mochten sowieso geen stadswacht worden.

In de stad waar gewerkt wordt, de stad van dominee Visser en voormalig perron 0, hebben 120 Rotterdamse junks zich aangemeld bij Randgroep uitzendbureau. Nu alleen de banen nog. Wat werk betreft komen er steeds meer kansen voor de kanslozen want de arbeidsmarkt wordt met de dag flexibeler. De commerciële concurrent van Randgroep uitzendbureau, Randstad uitzendbureau, levert het bewijs met een winstgroei van 45 procent in 1995. Verder zijn er met creativiteit en visie banenpools, Melkertbanen en een Jeugdgarantiewet gecreëerd. U kunt het zo gek niet verzinnen of er is werkgelegenheid van gemaakt. Zelfs moeders laat men niet ongemoeid. Zijn hun kinderen 5 jaar, dan moeten de moeders solliciteren. Telewerk in de opvoedkunde van je eigen kinderen thuis, is nog steeds onbetaald werk dus worden moeders herintreedsters met een Melkertbaan. Hun kinderen kunnen dan weer in de naschoolse opvang verzorgd worden door een zojuist goedgekeurde WAO-er. Het moet voor de bijstandsmoeders een troostrijke gedachte zijn dat er zoiets gecreëerd is als Randgroep uitzendbureau. Als hun kroost dan ontspoort door te weinig aandacht en discipline en van de weeromstuit aan de dope gaat, kan het altijd nog een baan vinden bij Randgroep. En zo is de cirkel van de flexibele arbeidsmarkt weer helemaal rond.

Werken is gezond en clichés berusten op waarheid. Veel baanlozen doet een stad en de geestelijke volksgezondheid geen goed. De stedelijke economie floreert bij mensen die wat te verteren hebben. Amsterdam zet dan ook alle man, vrouw en macht in om de 86.471 arbeidsgeschikte werkzoekenden (jaarboek 1995, O+S) aan een baan te helpen. Maar in de discussie over cijfers en resultaten ontbreekt vaak het achtergrondverhaal, de beleving van de baanloze, de gevoelens van de werkzoekende. Die worden vaak vergeten door de gelukkigen met een baan. Want vraag je iemand wie hij is, dan vertelt hij je wat voor baan hij heeft. Ergo ben je geen baan, dan besta je niet. Laboro ergo sum.

1996, Personeel Actueel, column: Besta ik?
15 maart 1996, jaargang 13, nummer 10, uitg. Gemeente Amsterdam

Op de Werkvloer

Kent u die klassieker van Lucille Ball? Dat ze in een bonbonfabriek werkt, aan de lopende band en het tempo niet bij kan houden. De bonbons komen steeds sneller voorbij en Lucy begint ze in haar jurk, onder haar hygiënische haarkapje en in haar mond te stoppen. Want elk moment kan de chef binnenkomen voor controle.
Dezelfde werkdruk overkwam mij. Ik kon het tempo ook niet bijhouden en sloeg af en toe een bonbondoosje over. Ik kon gewoon niet anders onder het strenge oog van de chef in zijn smetteloos witte stofjas. Maar ik voelde me wel ongemakkelijk bij het idee dat sommige klanten een doosje met te weinig chocolade paaseitjes kregen. Toen ik dan ook aan het begin van de lopende band mocht zitten, plaatste ik op eigen initiatief de bonbondoosjes iets verder uit elkaar zodat het tempo werd gedrukt. Oei, daar kwam de witte jas, hij beval mij onmiddellijk de procedure te volgen. Gevolg: de band moest om de haverklap stil gezet worden omdat een van mijn collega’s het niet aankon. Het vele stilzetten en opstarten, duurde alles bij elkaar een veelvoud van een geringe tempoverlaging. Bij dit economische verlies werden de inpaksters chagerijnig of zelfs ziek van de hoge werkdruk.

Na deze werkervaring kwam ik eens achter een loketje terecht en moest postzegeltjes uitdelen. In een grijs verleden was er eens een zegeltje kwijt geraakt of oneigenlijk gebruikt. Hoe het precies zat met dat ene zegeltje wist niemand meer. Echter om volgend verlies te voorkomen, moest voor elke postzegel een aanvraagformulier worden ingevuld. Dat formulier werd drievoudig gekopieerd, een voor de aanvrager, een voor het archief en een voor de afdelingshoofdenleesmap. Het originele formulier ging ter officiële ondertekening naar het hoofd en kwam daarna terug bij de administratie om tweevoudig gekopieerd te worden ter vervanging van de niet-ondertekende exemplaren in het archief en de leesmap. Deze procedure gold voor de postzegels van 70 cent. Bij de duurdere postzegels van 80 cent, moest ook de chef van de chef het aanvraagformulier ondertekenen. Met deze procedure kostten de zegeltjes van 70 cent iets van een paar honderd gulden en die van 80 cent meer dan duizend per stuk. Maar na mijn ingreep in de bonbonfabriek hoorden ze van mij geen veranderingsvoorstellen meer.

De enige procedure waar ik nog wel iets over kwijt wil, is die op de toiletten: de roltrekprocedure. Na het handenwassen hangt er een gebruikte handdoek, je trekt voor jezelf een schone en loopt weg. Dit kan ook andersom. Er hangt een schone handdoek, je droogt je handen en trekt een schone voor de collega die achter je komt. De netto inspanning is het zelfde, de winst is subtiele collegialiteit.

1996, Personeel Actueel, column: Op de Werkvloer
29 maart 1996, jaargang 13, nummer 12, uitg. Gemeente Amsterdam

Meneer de Bok

De portier stak iedere dag zijn hand op als Meneer de Bok binnenkwam met zijn broodtrommeltje onder zijn arm. Hij had een kamer voor zichzelf, Meneer de Bok. Op een dag belden de overburen. Of de portier eens wilde gaan kijken op de derde verdieping. In de tweede kamer van rechts, zat een ambtenaar die al uren niet meer bewoog. De buren waren bang dat hij dood was. Het was de kamer van Meneer de Bok. Nadat de portier hem wakker had gemaakt, knorde de maag van Meneer de Bok. Hij opende zijn broodtrommeltje. Lag daar nou een broodje aap of niet?

“Wat denken de burgers over ambtenaren?”, dat was de eerste opdracht voor deze column. Maar om de eerste keer al mijn vingers te branden, nee. Nu vroeg ik het de ambtenaren zelf, zelfspot is ook heel gezond. Ze vertelden over een witte streep op de gangvloeren die voorkomt dat ambtenaren die te laat komen, opbotsen tegen ambtenaren die wat eerder naar huis gaan. Er is ongetwijfeld een bloemlezing van grollen en raadsels als: “Waarom kijkt een ambtenaar ’s morgens nooit uit het raam?” Antwoord: “Omdat hij dan ’s middags niets te doen heeft.” Vooruit nog eentje: Als een ambtenaar knipoogt, doet hij één oog open. De lijn is duidelijk.
Iemand vertelde me dat op verjaardagsfeestjes nog steeds schamper gelachen wordt als je beroep ambtenaar is. Ons ordentelijke volk plaatst alles graag in overzichtelijke hokjes. Ambtenaren zijn lui, dat hokje is in jaren en jaren stevig om hen heen getimmerd en daar komen ze niet zomaar uit. Maar ik zie een razendsnel tikkende filosofe op het ene secretariaat en een kunstschilderes druk bezig op het andere. Op de gemeentelijke vrouwendag zag ik een vrolijke mengeling ambtenaren voorbijtrekken in alle kleuren van de regenboog. In geen bedrijf kwam ik zoveel variatie en verschillende ‘roots’ tegen.

Ambtenaren zijn erfelijk belast met een achterhaalde beeldvorming. Koeien in Engeland hoeven er de eerst komende maanden ook niet te rekenen dat iemand in hun biefstuk bijt, alleen maar omdat er een paar van hen gek zijn geworden. En dat dan weer alleen maar omdat ze gekke schapen te eten hebben gekregen, terwijl iedereen weet dat koeien vegetariërs zijn.
Het imago van de ambtenaar zal niet van de ene op de andere dag veranderen. Misschien helpt het als ik u vertel dat alle vooroordelen niet gelden voor de ambtenaren met wie ik samenwerk.

1996, Personeel Actueel, column: Meneer de Bok
1 april 1996, jaargang 13, nummer 14, uitgever Gemeente Amsterdam

Achteruit Regeren

“Lieve passagier, sorry, maar u moet uw kaartje laten zien.” Ik wist niet wat ik zag, op die grote witte borden voor de trams bij het Centraal Station. Maar ik was snel over mijn verbazing heen omdat ik die dag al een wereldwonder had gezien: de babyneushoorn in Emmen. Dus ik complimenteer de controleur met de actie. Begint hij vreselijk te lachen. Of ik denk dat het nut heeft? “Ja”, zeg ik volmondig. Vraagt de controleur aan de chauffeur of die denkt dat kaartcontrole zin heeft, beginnen ze allebei te lachen en ik sta voor aap met mijn strippenkaart.

“Deuren dichtlassen en elke passagier een gulden laten betalen als hij instapt.” Gelukkig zijn er nog GVB-ers die wél gemotiveerd zijn. Deze crisismanager van de werkvloer verdient minstens een ton per dag. De efficiënte finesse van dit ronde bedrag! De voorverkoop kan weg want zelfs een daklozenkrantverkoper heeft wel een piek op zak. Hoeven we de toeristen dat ingewikkelde trutsysteem met die strippen ook niet meer uit te leggen en kunnen de folders de Amstel in. De zonegrenzen kunnen open en de zoneplattegronden in de papiercontainer. Die domme witte borden met dat halfslachtige excuus-geschutter kunnen de brandstapel op want het is toch normaal dat je betaalt. Geef die man een ton per uur!
De tekorten bij het GVB zijn niet van vandaag of gisteren en dat is het treurige. Adviseur De Jong spreekt van een erfenis van 15 tot 20 jaar. Minister Jorritsma zegt voorzichtig dat de ingrepen wel wat laat komen. Werknemers zeggen al vanaf 1981 in te leveren. De adviezen van een organisatie-adviesbureau uit 1991 zijn in een bureaula beland. En de accountants weigerden jaren geleden al de jaarrekening goed te keuren. Een babyneushoorn kan bedenken dat er ergens iemand heeft zitten slapen.

Wethouder Ter Horst zegt dat er binnen het GVB geen topdeskundigheid aanwezig is en heeft voor een paar ruggen een denktank van interimmanagers ingehuurd. Voor slechts twee meier wil ik wel even regeren en vooruitzien. De AOW is straks onbetaalbaar. Geld dat nu verdiend wordt, straks uitbetalen houdt onze oude dag betaalbaar. Daarom korten we alle bestuurders, crisismanagers en topambtenaren vandaag nog tot modaal. Gaan ze met pensioen, dan krijgen ze pas hun verdiende loon. Doen we er als bonus ook nog een flinke gouden handdruk bij. Tenminste, als, ommeziend, oplossingen langer dan vier jaar werken. Als de crisis waarvoor men is ingehuurd inderdaad definitief gemanaged is. En als het beleid alle trams en de mensen van het GVB op de rails heeft gehouden. Regeren wordt achterom kijken.

1996, Personeel Actueel, column: Achteruit Regeren
24 mei 1996, jaargang 13, nummer 17, uitg. Gemeente Amsterdam

Ieder z’n Vak

Automatisering heeft een prachtig programma voor me gemaakt. Ik heb er eens vluchtig naar gekeken en ontdekte onmiddellijk allerlei dingen die ik zelf nooit zo gedaan zou hebben. Vervolgens liet ik er nog een paar collega’s naar kijken en die hadden ook allerlei op- en aanmerkingen. Met z’n allen zijn we de afdeling automatisering opgestormd. “Opzij, wij kunnen dat ook, wij kunnen dat beter.” Vol ijver bewerkten we de toetsenborden, doken het netwerk in en veranderden het programma naar eigen wens. Hier gooiden we wat weg, daar schreven we er wat bij. Het resultaat was een broddellap waar iedereen aan geprutst had en niemand meer wat aan had.

Toko-verdedigen en landjepik behoort in veel bedrijven tot de dagelijkse strijd. In de arena van deze column breek ik een lans voor mijn eigen fort. Geen automatiseringsdeskundige zou tolereren dat ik als een olifant door de porseleinkast van zijn netwerk rond zou komen stampen. Al bij de deur zou hij/zij me weghonen met de vraag of ik een gaatje in mijn hoofd had. Van de andere kant zou ik het niet in mijn kop halen om op een achternamiddag bijvoorbeeld een torenflatje te ontwerpen, dat is gewoon mijn vak niet. Een architect berekent of zo’n flat wel genoeg kan buigen in de wind en bekijkt of het gebouw een beetje knap staat in de omgeving. Met deskundig inzicht in allerlei factoren, bouwt de architect een kloppend geheel. Haalt iemand een bouwsteen weg, dan dondert het hele gebouw in elkaar.

Hetzelfde geldt voor een tekst. Niet voor niets schrijf ik na landjepik: strijd, arena, een lans breken en fort. Floris en Ivanhoe verschijnen hier ridderlijk in de beeldspraak. Aanvallen! Zo’n ver doorgevoerd stijlbloempje maakt de tekst tot een column. Overdrijving geeft wel eens een proces aan je broek, maar tegelijkertijd bespaar je volgens Theo van Gogh een psychiater.
Een tekst van een ambtenaar moet vaak ingewikkelde procedures uitleggen en dan kan je niet aankomen met apen, neushoorn of olifanten (deze dierentuin is speciaal voor de trouwe PA-lezers onder u). De ambtenaar schrijft in wat men “ambtenarentaal” noemt. Informatieoverdracht is het doel, als het mooi opgeschreven is, is dat mooi meegenomen. “Ambtenarentaal” is aan regels gebonden en niet iedereen kan het zomaar schrijven. Vakkennis en tekstsoort dicteren het taalgebruik.

Dus we pakken dat programma van automatisering er nog eens bij en begraven de botte bijl. We formuleren onze wensen en wapenen ons met respect voor andermans vak. We leggen onze wensen voor aan de deskundigen, zij lossen het probleem professioneel voor ons op en iedereen is blij.

1996, Personeel Actueel, column: Ieder z’n Vak
14 juni 1996, jaargang 13, nummer 20, uitg. Gemeente Amsterdam

Dictatuur

We moeten de democratie maar eens afschaffen. In het voorjaar meldde Perso¬neel Actueel dat Nederland kampioen vergaderen is en ambtenaren op de hoog¬ste tree van dit erepodium staan. Tussen de dijken wordt oeverloos gekletst, gezeverd, geboomd, gezanikt, gewauweld, geraaskald, gekwekt, gebabbeld, geleuterd, geconverseerd, gezwamd, gekout, gemekkert en geëvibreerd. Dat komt door de democratie. Iedereen mag wat zeggen, ook al heeft hij niks te melden.

Een ambtelijke éminence grise vertrouwde mij, vlak voordat hij met de VUT ging, toe dat hij opgelucht was niet meer te hoeven vergaderen. Jarenlang had hij drie keer per week dezelfde vergadering bijgewoond. Drie keer per week dezelfde agenda, dezelfde onderwerpen, dezelfde discussies en zulks met nagenoeg hetzelfde gezelschap. Het enige verschil zat hem in de naambordjes van die drie wekelijkse vergaderingen. En het kostte hem 50% van zijn werk¬tijd.
Als je een recht hebt, wil je het ook gebruiken. Het resultaat is dat er met teveel mensen over te weinig gepraat wordt, om het netste synoniem te ge¬bruiken. Waar inspraak verwordt tot medezeggenschap, duren procedures jaren omdat niemand zich gepasseerd mag voelen. Duizend meningen moeten worden gevraagd voordat er een beslissing genomen kan gaan worden. Zijn we nou echt niemand vergeten? En dan nog valt die beslissing vaak niet of het wordt een grijs compromis.

Nederland is niet alleen kampioen vergaderen maar ook koploper in adviesaanvragen. Dit jaar incasseren de adviesbureau's 800 miljoen. Veertig procent daarvan, 380 miljoen, komt van de overheid. Saaie pakken lopen de deuren plat bij allerlei bedrijven. En maar adviseren, onderzoeken en uitvlooien. Ook bij gemeente, provincie en rijk. Veertig procent van de adviezen wordt door 17 procent van de werkende bevolking gevraagd, de ambtenaren. En hoe komt dat nou weer? Dezelfde buitengewoon intelligente ex-collega heeft me ingefluisterd dat al die adviezen voornamelijk worden gevraagd om de autoriteit. In al die vergaderingen is eigenlijk allang een beslissing genomen maar niemand durft die erdoor te drukken. Niemand wil de verantwoordelijkheid op zich nemen, niemand wil voor dictator uitgemaakt worden. Dus laten ze een adviesbureau uitzoeken wat ze zelf allang weten en dan zeggen ze "Zie je nou wel, zij zeggen het (ook)". Intern weten ze hoe het zit maar alleen als een extern adviseur het zegt, wordt er geluisterd. En kan er een beslissing vallen.
Wellicht is dit mijn laatste column. Als er zo´n behoefte aan is en er 800 miljoen in omgaat, dan ga ik maar eens een goudglimmend koperen naambord bestellen: Weber adviesbureau voor ongevraagde adviezen.
Lang leve de democratie.

1996, Personeel Actueel, column: Dictatuur
6 september 1996, jaargang 13, nummer 28, uitg. Gemeente Amsterdam

Museum Amsterdam

Omstandig legde de ober mij de route naar het museum uit. Er kwamen Gouden Gidsen, plattegronden, landkaarten en veel armgebaren aan te pas, maar het bleef Hongaars wat hij zei en dat versta ik niet. Mijn koffie was al koud toen uit de krochten van het restaurant, dat in een oude vesting zat, een gekromde veteraan was opgeduikeld. Trots zei de ober dat deze man Duits sprak en mij de weg zou wijzen. Zijn been trok van een oude oorlogswond, maar de veteraan stond erop dat hij me naar de hoofdweg zou brengen, vanwaar ik het museum moeiteloos zou kunnen vinden. “Immer gerade aus”.

Wis Amsterdam uit uw geheugen en stel u voor dat u toerist bent. Nietsvermoedend komt u aan, de schoonheid van de stad overvalt en omhelst u. de poppenhuizen langs de grachten lijken besuikerd met toefjes slagroom. Het grauwe water weerspiegelt het groen van de bomen. Tot uw stomme verbazing wonen er gewone mensen in al dat moois, in eeuwenoude panden. Wasgoed hangt uit de ramen en geraniums kleuren de gevels.
Uw verbazing stijgt ten top als u ziet hoe de inwoners achteloos hun lunchzakjes, blikjes en lege sigarettenpakjes op straat gooien in dit openluchtmuseum. Er drijft een fiets in de gracht. Als u tenslotte over een junk bent gestruikeld, bent u toe aan een kopje koffie en strijkt neer op een terras. Daar duurt het uren voordat de ober onbeschoft uw bestelling op uw tafeltje kwakt.

Onze volksaard is van ‘bemoei je met je eigen zaken’. We zullen niet gauw op een toerist afstappen, die met een kaart in z’n hand zoeken om zich heen kijkt, en hem de weg wijzen. En ik moet toegeven dat ik ook kribbig word van ‘have-a-nice-day’-Amerikanen die denken dat ze overal ter wereld met dollars kunnen betalen, of Fransen die beweren dat het Nederlands een mengelmoesje is van Duits en Engels terwijl ze zelf geen woord over de Franse grens spreken. Maar elke keer dat ik vriendelijk ben geholpen in het buitenland, nam ik me voor om de toeristen in Amsterdam als eregasten te beschouwen. Als ode aan onze prachtige stad.

1996, Personeel Actueel, column: Museum Amsterdam 23 augustus 1996, jaargang 13, nummer 26, uitgever Gemeente Amsterdam

Een gehaktbal per week

Frank heb ik altijd wel gemogen, ook al ben ik geen fan van zijn partij. Het begon eigenlijk in de Kamer, toen hij Voorhoeve zo vakkundig influisterde en wij dat via de VPRO-microfoon konden volgen. Dat is een van de weinige politieke reportages die me bij is gebleven. Het slimste jongetje van de klas zei een mindere broeder voor, zodat die een goed cijfer zou halen. Bescheiden op de achtergrond. Toen ik veel later hoorde dat hij een buitenproportioneel "relatiegeschenk" retour had laten sturen (en daarbij Amsterdam in een paar jaar financieel weer helemaal op orde had) kon Frank de Grave voor mij helemaal niet meer stuk. Hij was niet alleen vakkundig maar ook nog integer.
Den Haag zal wel blij zijn dat Frank de brokken van jokkebrok Robin op komt ruimen.

Bij zijn vertrek werd Frank met een taart in de hand gestrikt door onze plaatselijke televisiereporter. Als je een carriere zonder risico's wilde, verklaarde Frank, dan moest je niet in de politiek gaan waar je elk moment kunt struikelen. Een beetje zelfgenoegzaam voegde hij er aan toe dat er gelukkig zeer goede sociale voorzieningen zijn voor bewindslieden. Hier moest ik toch even heel hard slikken. Frank de Grave wordt nu de baas over wat in de volksmond al de sociale onzekerheid is gaan heten.

Nog diezelfde avond zag ik een bijstandsgezin op de buis. De moeder naaide een witte rits in het zwarte trainingsjack van haar zoon. Dat zou die zoon wel niet zo mooi vinden, wist ze, maar 8 gulden voor een zwarte rits had ze niet. Haar zoon moest voor die 8 gulden dan maar voor gek lopen. Toen vroeg ik me af of Frank wel zou weten hoe het voelt als je 15 bent en in een klas zit vol Puma, Nike, Adidas, Reebok, Fila en Timberland en je komt binnen met die nieuwe tweedehands witte rits in je zwarte trainingsjack. Niemand kan weten hoe dat voelt als hij niet gedwongen is om in de huid van dat trainingsjack een klas vol leeftijdsgenoten binnen te komen. Daarom lijkt het me goed dat alle bewindslieden voortaan eerst even een praktijkjaar doen. Laat Frank maar eens alle bonnetjes uit de huis-aan-huis¬kranten knippen om maximaal korting te krijgen op zijn wekelijkse gehaktbal. Wachten tot de uitverkoop en dan in de bakken graaien voor het goedkoopste trainingsjack. Niet op taart kunnen trakteren als hij een feestje heeft. Deze methode lijkt me ook zeer geschikt voor het nieuwe bestuur van het CTSV. En nu we het daar toch over hebben, Frank als ik je ongevraagd mag adviseren, vraag eerst even naar de diplomaatjes en curriculums vitae van het nieuwe bestuur. En dan: veel succes in Den Haag.

1996, Personeel Actueel, column: Een Gehaktbal per Week
12 juli 1996, jaargang 13, nummer 23, uitg. Gemeente Amsterdam

Sterk Geslacht

Presidentskandidaat Dole moet heel veel melk gedronken hebben. Gisteren zie ik hem vier keer van hetzelfde podium storten en vier keer veerkrachtig opveren. Met melk meer mans. Melk moet. De televisiejournaals leken allemaal even op 'America's Funniest Homevideos', dat programma waar het pu¬bliek over de grond rolt van het lachen als een kleuter zijn tanden door zijn lip valt en het bloed eruit spuit. Dole is dus een 73-jarige met hele sterke botten. Je moet sowieso een ware Joris Driepinter op een witte motor wezen om op zijn leeftijd nog te opteren voor vier jaar presidentschap. Ik weet niet wanneer Dole jarig is, maar 73 plus vier is toch al 77 en in het ergste geval, als hij een weegschaal is en deze maand jarig, 78.
Mij zal je niet op leeftijd horen discrimineren, ik heb zelfs enorm gegniffeld toen ik twee jongens uit mijn klas terugzag in de media. Ze hadden allebei de eretitel 'Jong Talent' opgespeld gekregen. Beide knapen zijn een paar jaar ouder dan ik, dat wil zeggen dat ik dus ook nog aanspraak zou kunnen maken op het veelbelovende predikaat 'Jong Talent Met Loopbaanperspectief'. En dat op mijn leeftijd! Een heel geruststellende gedachte want ik ben weegschaal dus deze maand jarig.

Zo kwam ik ook op het onderwerp voor deze kolom. Want het is een vreemd fenomeen, leeftijd. Kan je in China nog tot in ver gevorderde staat van ontbinding en mummificatie de miljarden Chinezen regeren als je ver in de 90 bent zoals Deng Xiao Peng, in Nederland is het voor de doorsnee carrièretrapper toch echt afgelopen als hij 40 is. En als je 40 bent dan moet je toch echt nog 25 jaar en als het een beetje tegenzit met de vergrijzing moeten de mensen die nu 40 worden straks tot hun 67e of 68e werken. Dan moeten ze dus nog 28 jaar.
Wat loopbaan betreft zitten de bijna-veertigers in een hele gekke generatie en ik ook. Eerst komen we niet aan de bak omdat die babyboomers nog niet aan hun pensioen toe zijn en op hun dikbetaalde banen blijven zitten en de doorstroom tegenhouden. (Hoeveel hoogbejaarde columnisten zijn er trouwens niet?) Een paar jaar geleden waren we net te oud om mee te ratracen als yup en weer te jong voor een baan als herintredende moeder. Vervolgens waren we te hoog opgeleid voor een Melkert-baan en nu we dan eindelijk een gewone baan hebben bemachtigd horen we dat promotie wordt vervangen door demotie. Onze pensioenen worden straks niet meer op het hoogste eindloon gebaseerd maar op het gemiddelde loon. We moeten tot aan de rand van onze kist blijven werken. Gelukkig stam ik uit een sterk geslacht, mijn oma is 97,5 jaar, en heb ik een leuke baan.

1996, Personeel Actueel, column: Sterk Geslacht
4 oktober 1996, jaargang 13, nummer 32, uitg. Gemeente Amsterdam

Naaste buren

Max is mijn held. Vorige week liepen we samen langs de nieuwste zwerver in de Pijp. Het is er een met een bordje "I am hungry" en hij zat gehurkt tegenover het fonteintje bij het Sarphatipark. Op de hoek van de Ceintuurbaan hield Max me staande. 'Zal ik hem een paar zuurtjes geven?', vroeg hij en hij was als weg. De zwerver glimlachte toen hij de zuurtjes aanpakte. In glim¬mend rode en groene metallicpapiertjes verdwenen ze in de zak van zijn versleten jas.
Eigenlijk hoor ik nooit iemand met volle overtuiging zeggen dat hij graag oud wil worden in Amsterdam. Zelfs zonder overtuiging rept niemand erover. Mensen met kinderen willen de stad uit vanwege de speelruimte, maar wat mij opvalt is dat jonge mensen nu al vooruit denken en niet oud willen worden in Amsterdam.

In de Pijp, waar ik woon, wonen nog veel oorspronkelijke bewoners. Mijn buurman woont al veertig jaar in het huis onder het mijne. Zijn vijf kinderen sliepen vroeger op zolder. Hij heeft er vijf maar ik zie er zelden een. Behalve als ze in echtscheiding liggen, dan trekken ze tijdelijk bij pa in. Laatst heb ik bij hem aangeklopt omdat hij vier dagen de post niet had opgeraapt en ik zijn rokershoestje niet meer door het plafond heen hoorde kuchen. Ik zou niet willen dat het ging stinken op onze trap, dan zou ik me toch schamen. Onder die buurman woont een oudere vrouw, van haar weet ik niet meer dan dat ze van kerkmuziek houdt en dat ze hoofdschuddend vindt dat ik de ramen van mijn voordeur vaker moet zemen. Daar weer onder woont een oude weduwe. Elke keer als ze me ziet vraagt ze of ik eens op de koffie kom. Dat heb ik in de zes jaar dat ik hier woon één keer gedaan, toen haar man pas dood was. Het moet niet te gek worden met de verplichte sociale buurcontacten want voor je het weet zit je er aan vast en ik heb het al zo druk. Alleen in noodgevallen mogen ze bij me aanbellen. Verder is er een oude buurman die zijn hondje in zijn eigen tuintje uitlaat, aan de halsband lopen ze rondjes. En een echtpaar dat verdwaasd en vervuild ronddoolt. Kennelijk bekommert niemand zich om hen.

De vorige keer dat mijn elfjarige neefje Max kwam logeren ging hij een boodschap voor me doen. Hij kwam maar niet terug en ik was verschrikkelijk ongerust. Eindelijk kwam hij hijgend de trappen op. Hij had een oude mevrouw geholpen met een zware boodschappentas. Eerst had ze niet gewild uit angst voor de jongeren die bejaarden moles¬teren. Maar toen Max zei 'Geef mij die tas maar, dat is beter voor uw rug', had ze zich gewonnen gegeven en voor haar voor¬deur had ze hem ook nog een gulden gegeven. Als ik later oud ben dan ga ik bij Max in de straat wonen.

1996, Personeel Actueel, column: Naaste Buren
1 nov 1996, jaargang 13, nummer 36, uitgever Gemeente Amsterdam

Kerstgedachte

Ze hebben ze geteld
Het zijn er een paar miljoen
Een paar miljoen hoertjes
Kindervoetjes op een landmijn

Een paar miljoen kinderen per jaar
Vermoord, verkracht, verminkt, misbruikt
Ze hebben ze geteld
En het zijn er een paar miljoen

Een paar miljoen
Dat vonden ze te veel
Teveel kinderen

Na het tellen hebben ze nagedacht
Gedacht: het moet minder
Minder kinderen

Ze hebben een maatregel bedacht
Een afspraak gemaakt
Geen kind wordt meer soldaat
Behalve als hij jarig is en zestien wordt

Kinderen mogen vanaf vandaag
Alleen nog worden verkracht,
Verminkt en overhoop geschoten
Maar geen soldaat meer heten

Een dag, een verjaardag maakt het verschil
Tussen kind en kanonnenvlees

1996, Personeel Actueel, column: Kerstgedachte
29 nov 1996, jaargang 13, nummer 40, uitgever Gemeente Amsterdam

© Annemarieke Weber